Op vierenzestig velden schaakt de Moeder Gods:

is zij de witte dan wel de zwarte helft van twee?
Zij speelt de toren van Laurentius vol trots
de damevleugel op - en vanuit de mêlee

der kruisen in Vytautas' dreven voorwaarts trekt
een geestelijke raadsman richting roggeveld
waar een gesneden beeld tot leven wordt herwekt
en op vermetel paard ter slag naar Grunwald snelt.

Gesloten stelling, zelfs aan de bedrukte kant,
wordt nu door Gediminas' toren overmand,
tot in het bosch dat zich vanaf Druskininkai

naar Idink uitstrekt met een weldoorvoelde draai
beslissend verschoven uit Arnt zijn meesterhand:
zo wordt wat west is oost, zo wordt wat kind is kraai.

P.B. Kempe,  januari 2013

Een dubbelbeeld van de Moeder Gods met het Jezuskind, oftewel Marianum, hangt nu gescheiden aan weerskanten van de Nederlands-Duitse grens te Anholt en Silvolde. Het zou omstreeks 1475 door Arnt, ook de Meester van Varsseveld genaamd, zijn vervaardigd. Volgens de overlevering is het beeld in de Tachtigjarige Oorlog verwijderd van de oorspronkelijke plaats in de Varssevelder Laurentiuskerk: de ene helft, huilend aangetroffen in een roggeveld, werd met bedroefd gezicht (vandaar de latere uitdrukking "bedrukte Moeder Gods") in de Antoniuskapel op Sinderen herplaatst, nabij het Idinkbosch en later overgebracht naar de Mauritiuskerk te Silvolde.

Vytautas en Gediminas - naar laatsgenoemde is een toren in de hoofdstad Vilnius gedoopt  - waren historische vorsten van het Litouws-Pools Groothertogdom, dat in 1410 bij Grunwald te midden der Mazoerische Meren de legermacht van de Duitse Orde der Kruisridders verpletterend versloeg.

De memoriaalkruisenheuvel nabij Siauliai, midden in het huidige Litouwen, is een vermaard pelgrimsoord. In het door water en bos omgeven Druskininkai, kuuroord in het zuidoosten des lands, groeide Mikalojus Konstantinas Ciurlinis op (1875 - 1911), de vermaarde Litouwse componist, musicus en beeldend kunstenaar.

Strategisch spel In de Hanzestad, 

aan de Berkel en de IJssel met haar fiere torens,
tussen de oases van hofjes bruist het leven, al eeuwen lang.
Er is de koning, niet het sterkste stuk in het schaakspel maar altijd aanwezig.

Ze lacht, de dame en beweegt gracieus horizontaal, verticaal zelfs diagonaal.
De torens hoe kan het anders beginnen in de hoeken.
Er zijn de lopers, de witte en de zwarte rond het paard dat sprongen maakt.

Deze fraaie sport is niet meer weg te denken in de historische stad met pakhuizen,
koopmanswoningen, kerken en resten van de vestigen.
Op 19 december van het jaar 1919 startte de Zutphense schaakclub.

Een mooi verhaal dat verder leeft in de wekelijkse partijen, lessen, toernooien en kampioenschappen.
Een levende legende door jong en oud met liefde en plezier in ere gehouden.

Erika De Stercke 

De kleinste elementen van het schaak

Ontbranden, worden alom zichtbaar, trillen;
Met gouden stralen breekt de stelling open,
De paarden zijn van vreugde aan het springen.

Welluidend zijn de torens die ijk hoor:
Geruis van dames, lopers lopen binnen.
Mij vallen toe de ogen… Wat gebeurt er?
Beweegt daar iets?... Het is de koning! Stilte!

naar het Spaans van Gustavo Adolfo Bécquer, 1836 – 1870
P.B.Kempe de Zutphense Toren 100 blz. 35

Uit het land van Topalov

De muziek bij avond was verstreken.
Verder ging de tijd in alle stilte.
Nacht viel en de donkere alleeën
in het stadspark gaandeweg verstilden.

Een paar mannen staan voor het buffet nog
luid hun schaakpartijen te bepraten –
en twee schuchtere zigeunerkinders
wagen hun geluk bij ’t peuken rapen.

naar het Bulgaars van Pentsjo Slavejkov, 1866 – 1912
P.B.Kempe in de Zutphense Toren 61 blz. 6

Een aardige schaker uit Eefde

zag plots dat hij zijn dame geefde
o nee, ’t moet zijn gaf.
hij was blij dat-ie nog laf,
o nee, dit moet zijn dat-ie leefde!

Een vrouw’lijke schaker uit Brummen
zat steeds onder ’t schaken te hummen.
Toen kwam er nog bij
dat bij tempodwang zij
met haar vingers op tafel ging drummen.

Soved Snah in de Zutphense Toren 55 blz. 12

4 mei 2020

Wie kroont de zon tot ware kampioen van deze sportloze kobaltblauwe lente?
Fietsend van Arkel naar Alblasserdam, halfweg buurtschap De Donk
King of the Hill in langgerekte stille groene velden;  sloten omzoomd door felgele herik
De westelijke kim met scherpe contouren van mijn ouders stad, 1940, dat vliegtuiggeronk

Tine-nu 88- was nog een kind, in mijn hoofd barst de vredige rust nu voor even
Weer fietsend roept een grutto mij naar recenter verleden:
Molentochten, 1976, 2012, ijs breekt hier het strenge leven
Dat goed omlijnd past bij de anderhalve meter samenleving

Net als de koning, die ware het 1985 glanst op glad ijs: Wilhelmina was laf!
Bij mij staat de nu pijnlijk gekroonde dame ook schakend ter discussie
Schaamtevol speel ik het London systeem, net als zijn overgrootmoeder
Wat redt is geforceerde ruil op b3 of b6 als bevrijdende coronaloze  optie

Maar mijn Lettisch Gambiet is als Corona zelf na zet 3
De zwarte dame als ongrijpbaar virus dat via f6 Covid 19 verspreidt
Het bord verandert tot chaos en wit weet  niet wat de beste zet is
Zwart evenmin.  Genadeloos door tikt onze eindige tijd ...

Eric Kloppers

ZWICKMÜHLE

Dit is míjn schaakdag, kom maar op
met je Hammerschlag, Draak of Dunst
ach, daar kijk ik zo doorheen.

Wees blij dat ik je spaarde, hoor je dat
nerveus gesnuif van je paarden
en de voetknechten staan alleen
en-passant wat te schuifelen.

Ik neem nog maar een jenever
nu zet ik mijn ware lijntrekkers in,
plant vorken in deze gebakken lever
op tijd laat ik een toren springen.

Mijn koning bukt heus wel, hij droomt,
hij droomt niet meer, staat vierkant
achter mij op deze goede grond
als hij buigt, dan is het voor een dame

De vijand peinst over een infame
valstrik, Luft, Luft voor een slag
uit een suspecte logica dreigt
de perfecte zet, mat in twee,
Zugszwang! En dan valt zijn vlag.

© 2020 Dick van Welzen 

Het paard, de loper en de toren

Wanneer er onderling geen eendracht is,
gaat er van alles mis:
succes blijft uit – een hard gelag.

Paard, loper, toren: zij besloten op een dag
om met een volgeladen kar op weg te gaan.
Gespannen voor de wagen staat het drietal klaar.
Ze trekken om het hardst – de kar blijft staan.
Toch is de lading voor de drie niet echt te zwaar.
Maar ja, het paard wil zijn bekende sprongen maken,
terwijl de toren recht,
terwijl de loper averecht
opgang probeert te raken.
Wiens schuld is het? Ik spreek geen oordeel uit,
alleen de kar, die komt maar niet vooruit…

naar het Russisch van Ivan Krylov, 1769 – 1844
P.B.Kempe in de Zutphense Toren 68 blz. 5

Een oudere schaker uit W’veld

wist niet meer de naam van een schaakveld
is ’t grasveld of hooiveld,
is ’t graanveld of maisveld?

Toen wist-ie ineens “’k ben beneveld”

Soved Snah in de Zutphense Toren 48 blz. 13

 Een andere schaker in Rekken,

die wilde zijn dame niet dekken.
Ja, wat zei de ziel:
“Ik ben homofiel,
Mun koning, die laaknie verrekken”.

Dur was eens een schaker in Londen.
die dacht: aai hef een nieuwtje gevonden:
hie plee de het Spaans
op z’n Italiaans,
maar dudders die vonden ’t deadzonde.

Er was eens een schaakster in Veere,
Die speelde met één van de here.
Het leek wel een bruid,
zo kleedd ze hem uit,
daar konnie nog heel wat van lere.

Ik kende een schaker in Baren,
die liet eens zijn loperpaar paren,
maar thaalde niks uit,
geen muisjes met schuit,
de winst liettie daarom maar varen.

Piet van Gorkum in de Zutphense Toren 42